Justitie

Justitie

https://bib.kuleuven.be/rbib/collectie/archieven/limbrechtsl/2000-4.pdf

De onafhankelijkheid
van de rechterlijke macht
na de recente herziening
van de Grondwet –


1. ln het najaar van 1998 en het voorjaar van 1999 werd de
meest ingrijpende hervorming van de Justitie sinds de stichting van
de Belgische staat doorgevoerd. Een herziening van artikel 151
van de Grondwet en enkele fundamentele wetten moeten ervoor
zorgen dat Justitie klaar is om de eenentwintigste eeuw binnen te
treden. De inzet is hoog : ,,De burger moet opnieuw vertrouwen
krijgen in het gerecht, dat te traag werkt en dat te lang gepolitiseerd werd”. Justitie krijgt een ,,cultuurschok,,,en er zal een ,,men_
tale reconversie” 1 van de mensen van de Justitie nodig zijn, zo
werd gesteld.
2. Wij zullen de hervorming van Justitie, in deze rede, belichten
vanuit één perspectief, dat van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Voorwaar een belangrijk perspectief. Dat behoeft
geen betoog. ,,De onafhankelijkheid van de rechters is immers de
hoeksteen van de democratische rechtsstaat en het sluitstuk van de
scheiding der machten” 2. ,,Aan de onafhankelijkheid van de
rechter meet men het krediet van zijn ambt en zijn gezag aan zijn
uitspraken af” 3. Ook de grondwetgever in 199g was zich daarvan
scherp bewust. De onafhankelijkheid van de rechter was ook voor
hem het onaantastbaar basisbeginsel van de hervorming. Ten
bewijze daarvan wordt die onafhankelijkheid zelfs tot driemaal toe
uitdrukkelijk bevestigd in artikel 151 van de Grondwet. ,,De rech_
ters zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun rechtsprekende
bevoegdheden”, zo begint het artikel (art. t51, par. 1, eerste zin).
,,Het openbaar ministerie is onafhankelijk in de índividuele opspo_
ring en vervolging…”, zo luidt de tweede zin (art. 151, par. 1,
* Rede uitgesproken door Prof. J. VElaens bij gelegenheid van de viering op
6 oktober 2000 van het 25-jarig bestaan van v.z.w. Limburgs Rechtsleven.
‘ De h. J. VaruoeuRzeru, in parl. Sf., Kamer, 1997-9g, nr. .167514, 15. 2 Verslag, Part. St., Senaat, 1998-99, nr. 1-1121 13, 7. 3 w.J’ GensuoF vAN DER MEenscu, ,,overwegingen omtrent de kunst recht te
spreken en de uitoefening van het rechterlijk ambt,,, R.W., 1973_74, 1″1g.
Limb. Rechtsl.,2O0O 373
wveede zin) en tenslotte bevestigt ook paragraaf 2 dal de Hoge
Raad van Justitie bij de uitoefening van zijn bevoegdheden, de
onafhankelijkheid van de rechters en van de ambtenaren van het
openbaar ministerie respecteert (art. 151, par’ 2, eerste lid)’
3. Geruststellende verklaringen, die des te meer opvallen wanneer men weet dat er in de Grondwet van 1831 niets stond over
die onafhankelijkheid, net zo min overigens als over de scheiding
der machten. onze grondwetgever was in 1831 vrij pragmatisch
ingesteld. Hij hield niet zo van ronkende verklaringen. Hij wist dat
het weinig zoden aan de dijk zet grote principes te verkondigen.
Daarmee zrjn ze immers nog niet verwezenliikt. De onafhankelijkheid kondig je niet af. Het is een dagdagelijkse opgave voor elke
rechter. Deze moet er voortdurend op bedacht zrin zelÍ te oordelen.
Hij moet vermijden ,,het geschil uit handen te geven en het door
een derde te laten beslechten” 4. De rechter moet ,,vrij zijn van
beïnvloeding, druk of tussenkomst van derden” 5. Rond de eigen
oordeelsvorming moet hij, als het ware, een ,,cordon sanitaire” leggen. Hij moet zich, zoals Storme schrijft ,,in de stilte van het beraad
i…) *”t”n te onttrekken aan elke beÏnvloeding van buitenaf” 6′ Hii
moet ook argwanend staan t.a’v. de eigen vooroordelen, de eigen
achtergrond, de sociale context waarin hij leeft 7. Hij moet klassejustitie vermijden en open staan voor de samenleving. Maar uiteindelijk moet hijzelf oordelen, in eer en geweten uitmaken wat het
recht is.
4. De grondwetgever van 1831 wist dat hij die onafhankelijkheid niet zelf kan waarborgen. Alleen de rechter kan dat. wat het
Nationaal congres wel zinvol vond, vanuit zijn pragmatische ingen G. Dervore, ,,De horizontale en vertikale onafhankelijkheid van de rechter”,
A.J.T., 1995-96, 106.
5 F. Dutvtotrt, ,,De rechterlijke macht, onbekend en onbemind” , R’W’, 1981-82,
522.
u M. Sronur, ,,De achterkant van het gerecht. Kanttekeningen bij een openingsrede”, R.W., 1973-74, 458.
, ,.Voor de magistraat is onafhankelijkheid ten opzichte van zich zelf, van
eigen vooroordelen, overtuigingen enz. een even grote

en vaak veel moeilij[er

plicht als ten opzichte van vreemde invloeden.” Koning Boudewiln.
rede 7 december 1976 tijdens de Hulde door de rechterlijke macht gebracht,
uitgave 8.5., 1977,14 en 15, geciteerd door M’ CuArel, ,,MagistraatVandaag”,
in Liber Amicorum Frédéric Dumon, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen,
il, 654.
374 Limb. Rechtsl.,2OOO
steldheid, was een aantal concrete statutaire waarborgen in de
Grondwet op te nemen die ertoe kunnen bijdragen dat de rechter
een positie bekleedt waarin hij van de andere machten, en vooral
dan van de uitvoerende macht 8, ,,niets te verwachten en niets te
vrezen heeft” e. We hebben het dan over de benoeming voor het
leven, de onafzetbaarheid, de niet-overplaatsbaarheid (art. 152
G.W.), de bepaling van de wedden bij wet (art. 154 G.W.) en het
verbod bezoldigde ambten van de regering te aanvaarden (art. 1b5
G.W.). Deze waarborgen zijn niet de onafhankelijkheid zelf, het zijn
slechts dammen die de grondwetgever opwerpt daar waar die
onafhankelijkheid zou kunnen worden bedreigd.
5. ln 1998 vond de grondwetgever het nodig tot driemaal toe de
onafhankelijkheid uitdrukkelijk in de Grondwet te vermelden. Uit
de parlementaire voorbereiding blijkt enige trots hierover. Het zo
belangrijk beginsel, dat tot nu toe slechts als algemeen rechtsbeginsel in de rechtspraak 1o wordt erkend en in internationale verdragen, zoals het E.V.R.M. (art.6) en het B.U.P.O. (art. t4) uitdrukkelijk wordt bevestigd r1, wordt nu eindelijk ook in de Grondwet vermeld, tot driemaal toe zelfs. Dat is een ,,bijzonder goede
zaak”, zei men “. Maar is dat wel zo? Er is een oud Vlaams spreekwoord dat stelt : ,,Als de vos de passie preekt, boer let op uw
kippen”. De arabische versie daarvan luidt, in vrije vertaling : ,,Er
I Zie J. DElvn, ,,De onafhankelijkheid van de Belgische rechter ten aanzien
van de uitvoerende macht”, T.B.P., 1988, 182: ,,De Minister van Justitie heeft
geen vat op de rechter, tenzij in het geval van artikel 332 Ger.w. waarin de toestemming van de Minister is vereist voor een afwezigheid die de duur van een
maand overschrijdt.”
s ,,De onafhankelilkheid die tot het wezen van zijn rechtspositie behoort,
moet de magistraat behoeden zowel tegen de kwaadwilligheid als tegen de
gunsten van de regeerders.” W.J. Gerrrsr.ror vAN DER MeEnscH, /.c. (3), 119.
‘o Zie b.v. Arbitragehof, nr.67 lgï, 10 juni 199g, 8.S., 12 september 199g;
Cass., 13 januari 1986, Arr. Cass.,1985-86, 668; Cass., 14 oktober 1996, inz.
Dutroux, J.L, 1996, 670. 1′ Zie o.m. K. Loorurles, ,,Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige
rechter : een stand van zaken”, T.B.P., 1996, g-17.
12 ln die zin verslag Verenigde Commissies voor de herziening van de Grondwet en de hervorming der instellingen en voor de Justitie, parl. St., Kamer,
1997-98, nr. 1675/4,5. ln dezelfde zin DecRorv, Verslag Verenigde Commissies
voor de herziening van de Grondwet en de hervorming der instellingen en voor
de Justitie, Parl. St., Kamer, 1997-98. nr. 16j514, 15; part. St, Senaat, 1998-
99, nr. 1121 13.
Limb. Rechtsl.,2OO0 375
wordt nooit zoveel gesproken over water, als in de woestijn”. Moeten we ons dan zorgen maken over die drievoudige bevestiging van
onafhankelijkheid in artikel 151 van de Grondwet?
6. Tijdens de parlementaire voorbereiding zijn er over de onafhankelijkheid dubbelzinnige uitspraken gedaan. Enerzijds luidde
het voortdurend dat de grondwetgever niets aan de bestaande toestand wilde wijzigen t’, dat hij een status guo nastreefde, dat hij de
bestaande beginselen slechts constitutioneel wilde verankeren 14,
en dat de rechters na de hervorming even onafhankelijk zouden zijn
als ervoor. Als dat zo is verandert de drievoudige bevestiging niets
en heeft ze hoogstens een symbolische betekenis’5. Anderzijds is
echter ook voortdurend benadrukt dat het de bedoeling was om
een eigentijdse opvatting van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en ook van de scheiding der machten in de Grondwet
op te nemen. De onafhankelijkheid wordt ,,duidelijk omlijnd” 16,
,,omschreven” 17, ,,in zijn juiste betekenis grondwettelijk vastgelegd” 18. ,,(…) het ogenblik is aangebroken om te durven zeggen
dat de inzichten met betrekking tot het begrip ‘onafhankelijkheid’
gewijzigd ztjn” 1s, zo luidde het. Want die onafhankelijkheid is
geen doel op zich 20, het is geen ,,voorrecht voor de rechters maar
een waarborg voor rechtszoekende burger” 2l. De ,,onafhankelijkheid” staat niet gelijk met ,,onaantastbaarheid” “, frèl ,,onverantwoordelijkheid” 23; ze sluit niet uit dat de rechterlijke macht extern
ter verantwoording wordt geroepen. ,,
ln een moderne opvatting is
13 ,,ln paragraaf één wordt in wezen niets anders ingeschreven dan de vandaag geldende principes inzake onaÍhankelijkheid.”; Toelichting. Parl- St.,
Kamer, 1997-98, nr. 167511,5 en nr. 167515.
1a Eerste Minister DeuaeNe, Parl. St., Senaat, 1998-99, nr. 1121 13,3; Senator
Lerreuaruo, Part. Hand., Senaat, 1998-99, 19 november 1998,6403.
‘s P. Varu ORsuoveru, ,,Destaatsrechtelijke positie van de Hoge Raad voor de
Justitie”, in J. Lnerusrus en M. SroRue (eds.), /n de ban van Octopus, Brussel,
Kluwer, 2000, 4.
‘u De h. Gter, Verslag, Parl. St., Kamer, 1997-98, nr. 167514, 19. t’ De h. Duouesrue, Verslag, Parl. St., Kamer, 1997-98, nr. 167514, 13.
18 Verslag, Parl. St., Kamer, 1997-98, nr. 167514, 16.
” De h. VaruoeunzEru, Verslag, Parl. St., Kamer, 1997-98, nr. 167514,23.
‘o De h. Duouesrue, Verslag, Parl. St., Kamer, 1997-98. nr. 167514,28.
21 Verslag, Parl. St., Kamer, 1997-98, nr. 167514, 4.
” De h. DewaEl, Verslag, Parl. St., Kamer, 1997-98, nr- 167514, 18.
23 Parl. SÍ., Kamer, 1997-98, nr. 167511,2; nr. 167514, 5, 13, 129,22,24,
28, 30.
376 Limb. Rechtsl., 20OO
die onafhankelijkheid niet onverenigbaar met bepaalde wisselwerkingen tussen de machten”, zo luidde het nog 2o. Ook de ,,scheiding der machten” wordt opnieuw gedefinieerd’5. Het concept is
immers geëvolueerd, ,,hetverwijst thans naar een situatie waarin de
drie staatsmachten elkaar in een gezonde kritische spanning bewaken en stimuleren” 26. De grondwetsherziening beoogt dus niet
alleen de status quo, doch ook een herijking van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, een hervorming van de verhouding
tussen de staatsmachten 27.
7. De vraag rijst dan opnieuw. Moeten we ons zorgen maken?
Wat is die juiste grondwettelijke betekenis? We kunnen die uiteindelijk alleen achterhalen door die drie zinnen in artikel 151 van de
Grondwet waarin de ,,onafhankelijkheid” ter sprake komt, even
onder de loupe te nemen.
l. De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.
A. De functionele onafhankelijkheid van de individuele
rechter bij het rechtspreken.
8. Artikel 151, par. 1 G.W. stelt:,,Derechters zijn onafhankelijk
in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden”.
Uit de bewoordingen van dit artikel, en ook uit de parlementaire
voorbereiding, blijkt duidelijk dat de grondwetgever uitsluitend de
zgn. ,,functionele onafhankelijkheid” heeft willen beschermen. De
onafhankelijkheid ,,wordt beperkt tot de essentie van hun ambtsuitoefening”, namelijk de uitoefening van ,,rechtsprekende bevoegdheden” 28 : alleen wanneer de rechter recht spreekt is hij onafhankelijk, alleen wanneer hij ,,individuele dossiers” behandelt, ,,indivi24 De h. Beauravs, Verslag, Part. St., Kamer, 1997-98, nr. 167514,20.
2s ln die zin Eerste Minister DEuaerue, Verslag. Part. St., Kamer, 1997-98,
nr. 167514,22.
26 De h. Varuoeunzen, Verslag. Part. St., Kamer, 1997-98, nr.167514,14.
27 Ziein die zin de h. Laruouw, Verslag, Part. St., Kamer, 1997-98, nr. 1675/
4, 16.
28 Parl. St, Kamer, 1997-98, nr. 167511, 2; ibid., nr. 167514,13, 15, 16, 19,
28,29. L DUeRÉ, ,,De Hoge Raad voor de Justitie. Het nieuwe huis van vertrouwen?”, B.t/V., 1998-99, 1509. De h. Grer, Verslag, Parl. St., Kamer, 1997-98,
nr.167514,19. í
Limb. Rechtsl.,2000 377
duele beslissingen” neemt 2s. ln de rechtsleer is deze ,,functionele
onafhankelijkheid” steeds als het wezen van de rechterlijke onafhankelijkheid beschouwd’o. T.a.v. het rechtspreken is de ,,scheiding der machten” absoluut. Elke druk van buitenaf is onbehoorlijk.
,,De enige onafhankelijkheid waarop de rechter aanspraak kan,
maar ook compromisloos moet maken, is deze van zijn oordeelsvorming, de onafhankelijkheid van het rechtspreken”, schrijft
G. Delvoie 31.
9. Tijdens de parlementaire voorbereiding t2 van artikel 151 van
de Grondwet werd herhaaldelijk verwezen naar de mercuriale van
Procureur-generaal emeritus J. Velu uit 1996 33. Handelend over
de grenzen van een mogelijk extern toezicht wees de Procureurgeneraal toen op : ,,het verbod om de beslissingen van de gerechten te censureren, het verbod om hen injuncties te geven en het
verbod om zich in hun plaats te stellen bij het berechten van
geschillen die tot hun bevoegdheid behoren”. Deze stellingname
werd door de grondwetgever in die mate gedeeld, dat we ze als
een krachtige commentaar op artikel 151 van de Grondwet kunnen
beschouwen. Het verbod de beslissingen van de gerechten te censureren, impliceert o.i. niet alleen dat het niet aan de andere machten kan toekomen rechterlijke beslissingen te herzien of te vernietigen, doch ook dat deze niet het recht hebben om deze beslissingen
buiten werking te stellen 3a of zelfs maar publiek te bekritiseren.
Het verbod om injuncties te geven houdt niet alleen in dat het niet
aan andere machten toekomt om bevelen te richten tot rechters,
doch ook dat aanbevelingen, incentives of oproepen om b.v. creatief te zijn in de rechtspraak, uit den boze zijn. Het ,,verbod om zich
2s De h. Leruouw, Verslag, Parl. St., Kamer, 1997-98, nr. 167514, 16. Zie ook
ibid., 19,28,29,30. l. DupnÉ, l.c. (28l.,1510.
30 Zie b.v. F. Duuorrr, .,(…) de aard zelf van de jurisdictionele functie… vereist
non-interventie, wil men die functie zelf onaangetast laten die in essentie volstrekte onafhankelijkheid vereist.” F. Duuott, /.c. (5). 519.
3′ G. DEr-vore,l.c. (41 ,106.
32 Toelichting, Parl. St., Kamer, 1997-98, nr. 167511,3; de h. Vnru Pnntls,
Verslag, Parl. St., Kamer, 1997-98, nr. 167514, 24.
33 J. Velu, ,,Vertegenwoordiging en rechterlijke macht”, F.t/V., 1996-97,21O.
3a B.v. door de ,,legislatieve validatie” van een besluit met als uitsluitende
bedoeling te verhinderen dat de rechter dit op grond van artikel 159 van de
Grondwet strijdig met de wet zou bevinden, of met de bedoeling de rechterlilke
uitspraak te ontkrachten.
378 Limb. Rechtsl., 2OOO

Related Post

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *